Welke vormen van ADHD zijn er?

Auteur: Lifestylers.nl • 21 november 2008 • Categorie: Gezondheid

Vaststellen van de stoornis

Een goede diagnostische procedure bestaat uit:
Een informatief gesprek met de ouders (of andere primaire verzorgers) over de levensloop en klachtgedrag van het kind. Daarnaast een lichamelijk onderzoek van het kind, aangevuld met een eventueel psychiatrisch en/of psychologisch onderzoek. Tevens behoort er informatie te worden ingewonnen bij derden zoals bijvoorbeeld de leerkracht, mentor en huisarts ).
Ter ondersteuning kunnen gestandaardiseerde vragenlijsten gebruikt worden, die gebaseerd zijn op de criteria van de DSM IV, maar ook meer algemene vragenlijsten, zoals de CBCL (Child Behavior Checklist), waarvan een ouder-, leerkracht en kindversie van bestaan.

(Noot bij de CBCL: dit zijn vragenlijsten, waarmee vele problemen redelijk betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Onder de vragen bevinden zich op het eerste gezicht hele vreemde vragen, als jou kind zulke gedragingen niet heeft. Toch is het helaas zo dat er kinderen dit probleemgedrag vertonen. Je hoeft hier dus niet van te schrikken. Je vult hierbij gewoon in dat het gedrag niet voorkomt. Deze lijsten zijn gemaakt op basis van uitgebreide onderzoeken bij vele kinderen.)

Een gesprek over levensloop bevat het zwangerschapsverloop, de geboorte, 1e jaar huilen, eten, drinken en slapen. Verdere opgroeien. Motorische ontwikkeling, spraak/taal ontwikkeling, zindelijkheid, sociale ontwikkeling (vriendschappen en vrijetijdsbesteding).
Daarnaast een uitgebreid informeren naar het klachtgedrag en wat er wel goed gaat.
Dus wat de ouders zien als problemen bij het kind, waar ze zich zorgen over maken en wat er goed gaat met het kind.
Daarnaast kan er informatie ingewonnen worden over broertjes en zusjes en eventuele stoornissen in de overige familie.

Als aanvulling kan er een psychologisch onderzoek plaatsvinden. Hierbij wordt de intelligentie bepaald door middel van een test. Daarnaast kan er aandacht worden besteed aan de aandacht, planning en organisatie van het gedrag, geheugenstrategieen en –capaciteit.
Ook een gezinsonderzoek, fysiotherapeutisch- en logopedisch onderzoek behoren tot de mogelijkheden.
Bij een ernstige vorm van de stoornis is het onderzoek dus vaak multidisciplinair. Dus diverse hulpverleners zijn bij dit onderzoek betrokken, zoals boven aangegeven welke(F. Boer, e.a., 1999)
 
Kenmerken van ADHD volgens de criteria van de DSM-IV
(Diagnostic Statistical Manual of Mental Disorders 4th Edition).
Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit.
1. Aandachtstekort: zes (of meer) van de volgende symptomen van aandachtstekort zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaan- gepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
het kind of de jongere:
- slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details of maakt achteloos fouten in schoolwerk, werk of bij andere activiteiten;
- heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel te houden;
- lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct aangesproken wordt;
- volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in schoolwerk, karwijtjes af te maken of verplichtingen op het werk na te komen (niet het gevolg van oppositioneel gedrag of van het onvermogen om aanwijzigen te begrijpen);
- heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten;
- vermijdt vaak, heeft een afkeer van of is onwillig zich bezig te houden met taken die een aanhoudende aandacht(langdurige geestelijke inspanning) vereisen (zoals school- of huiswerk);
- raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden (bijvoorbeeld speelgoed, huiswerk, potloden, boeken of gereedschap);
- wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels;
- is vaak vergeetachtig in zijn doen en laten (bij dagelijkse bezigheden).
2. Hyperactiviteit-Impulsiviteit: zes (of meer) van de volgende symptomen van aandachtstekort zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
Hyperactiviteit
- zit vaak met de handen te friemelen, met de voeten te schuiven en op zijn stoel te wiebelen of draaien;
- staat zo maar op (bijv. in de klas of in andere situaties), terwijl van het kind verwacht wordt dat het blijft zitten;
- rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is (bij adoles- centen of volwassenen kan dit beperkt blijven tot subjectieve gevoelens van rusteloosheid;
- heeft vaak moeite rustig mee te spelen of aan vrijetijdsactiviteiten deel te nemen;
- is vaak “in de weer” of “draaft maar door”;
- praat vaak aan een stuk door.
Impulsiviteit - gooit het antwoord er vaak al uit voor de vraag helemaal is gesteld;
- kan dikwijls niet op zijn beurt wachten, in een winkel, bij sport of spel of in groepssituaties;
- verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich op.
Bijkomende criteria zijn, dat ADHD niet later dan op de leeftijd van zeven jaar is begonnen, dat de symptomen in twee of meer situaties dienen op te treden (bijv. thuis, op school, op het werk of de sportvereniging), dat de stoornis veel leed en beperking in het sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren veroorzaakt en dat er geen sprake is van een zwaarder diagnose zoals pervasieve ontwikkelingsstoornis, psychose of manie (Koster van Goos, 1998).

Welke vormen van ADHD zijn er?

Officieel bestaan er drie typen ADHD:
• Type 1: alleen aandachtsproblemen, zonder hyperactiviteit en impulsiviteit.
Dit type wordt in Nederland ook wel ADD genoemd. ADD wordt niet snel herkend bij kinderen. Zij vertonen immers veel minder storend gedrag dan de kinderen met de andere twee vormen van ADHD. De kinderen met ADD vallen op door dromerig, apatisch gedrag en het feit dat ze meer dan gemiddeld moeite hebben om met een taak te beginnen en hun aandacht erbij te houden. Kinderen met ADD presteren onder hun niveau. Dat roept problemen op bij het leren en het heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling van hun zelfvertrouwen.
• Type 2: alleen impulsiviteit en hyperactiviteit, zonder de aandachtsproblemen.
• Type 3: de combinatie van aandachtsproblemen, impulsiviteit en hyperactiviteit. Spreken we in Nederland over ‘ADHD’, dan bedoelen we meestal dit type.
ADHD komt vaak voor in combinatie met andere stoornissen. Bij de helft van de kinderen komt ook ernstig opstandig gedrag voor. Een kwart heeft last van leerproblemen, van angststoornissen en/of depressiviteit.

Comorbiditeit
ADHD gaat meestal gepaard met andere problemen, zoals leer-. gedrags- en emotionele en ontwikkelingsmoeilijkheden. Dit wordt comorbiditeit genoemd.
Problemen of stoornissen die samen voorkomen met adhd zijn:
Angst of een angststoornis en depressie of depressief of een stemmingsstoornis als Bipolaire stoornissen.
Het syndroom van Gilles de la Tourette, dat voornamelijk gekenmerkt wordt door motorische en vocale tics en dwanggedachten en -handelingen.
Oppositioneel-Opstandige Stoornis (ODD of Oppositional Defiant Disorder)
Gedragsstoornis (CD of Conduct Disorder)
Obsessieve-Compulsieve Stoornis (OCD): dwanggedachten en dwanghandelingen.
Leerstoornissen. Meest voorkomende leerstoornis is: dyslexie. Rekenproblemen of dyscalculie.
Het spectrum van autistische stoornissen of Pervasieve ontwikkelingsstoornissen.
Het autistisch spectrum bestaat uit diverse stoornissen nl.: De Autistische Stoornis (AD) dit is het kernsyndroom, Stoornis van Rett, Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd, Stoornis van Asperger en de Pervasieve ontwikkelingstoornis Niet Anderszins Omschreven, (PDD-NOS = engelse afkorting).
Adhd gaat het meest samen met Stoornis van Asperger en PDD-NOS, maar komt ook voor bij AD.
Vele stoornissen hebben een overlap in kenmerken. Dat is dan ook de reden waarom het lastig is om uit te vinden wat de persoon voor stoornis heeft en om een bepaalde stoornis als hoofddiagnose aan te wijzen.
 
Daarnaast kunnen voorkomen
• motorische onhandigheid
• agressie
• bij adolescenten en volwassenen: financiële problemen, gokken.

Andere kenmerken
• Verminderde concentratie en alertheid.
• Moeite aandacht vast te houden, vooral in weinig uitdagende situaties die voor langere tijd aandacht vergen, zoals alledaagse karwijtjes en weinig prikkelende taal- en rekentaken op school.
• Ze kunnen het wel bij belangrijke zaken hun aandacht gericht houden, maar korter dan andere kinderen. Ze moeten hierbij voortdurend aangespoord worden.
• Minder zelfcontrole en een lage frustratietolerantie(weinig kunnen hebben).
• Ze maken meer geluiden en praten meer dan andere kinderen, maar weer niet als ze een samenhangend verhaal moeten vertellen.
• Moeite met activiteitsniveau aanpassen aan wisselende eisen vanuit de omgeving.
• Moeite met op beurt wachten, beginnen voor beurt en letten daarbij niet op de sociale gevolgen daarvan. Nemen onnodig meer risico. Ze reageren op een eerste impuls, wat indruk wekt dat ze egocentrisch zijn.
• Moeite met uitstellen van een beloning.
• Kunnen gevolgen niet vooraf overzien van bepaald gedrag.
• Hebben weinig of geen vriendjes door hun impulsiviteit en drukke gedrag.
• Hebben laag zelfbeeld en sombere stemmingen, maar ook boze buien of snelle stemmingswisselingen
• Ze zijn snel ontmoedigd en drammen of willen hun zin doordrijven
• De mate van volhouden van aandacht, hangt af van hoe interessant het kind de activiteit vindt en of er sprake is van directe en continue bekrachtiging en of instructies dikwijls en op gevarieerde manier herhaald worden of niet (Prins, 1999).

Artikel psychologie magazine editie adhd door Peggy van der Lee
Opvliegerige baasjes, stille werkers en zorgzame moedertjes: in elke schoolklas komen ze voor. Elk persoonlijkheidstype brengt specifieke problemen met zich mee, maar heeft ook specifieke kwaliteiten. Sociale steun kan een positieve ontwikkeling bevorderen.
Mieke is een meisje dat eerst denkt, dan doet. Een snel maar onvolledig antwoord op een geschiedenisvraag zal ze haar juf niet geven, ze is een perfectionist. Keurig kleurt ze binnen de lijntjes, gekras in de kantlijn kom je in haar schriften niet tegen. Een beetje stilletjes zit ze vooraan in de klas, naast haar enige echte vriendin Carolien. In de pauze knikkert ze met haar, maar ze blijft ver uit de buurt van Bram, de wildebras van de klas. Mieke is een typisch voorbeeld van een overgecontroleerd kind. Overgecontroleerde kinderen worden door hun leraren en ouders omschreven als gehoorzame, zorgvuldige en aardige kinderen, die soms ook verlegen zijn en gevoelig voor kritiek.
Bram is de tegenpool van Mieke. Hij is een ondergecontroleerd type. Zijn gedrag doet soms denken aan ADHD. Ongecoördineerd ragt hij in de pauze op een skelter over het schoolplein, zolang de leraren hem tenminste geen halt toeroepen. Het kamertje van de directeur kan hij levendig beschrijven, want dat heeft hij in zijn kortdurende schoolcarrière al vele malen van binnen gezien. Bram is een echte flapuit, en als hij gepest wordt, dan slaat hij erop. Ondergecontroleerde kinderen zijn de herrieschoppers: leraren en ouders beschrijven hen als nieuwsgierig en energiek, maar ook als koppig, rusteloos en antisociaal.
Carolien valt onder het derde type: de veerkrachtige persoonlijkheid. Beschermend reikt ze Mieke de hand, terwijl ze even makkelijk omgaat met Bram die haar tas voor de zoveelste keer omver loopt. Carolien is in staat om tijdens een proefwerk geconcentreerd en gecontroleerd te werken, maar tijdens een feestje of op het schoolplein is ze veel vrijer en doet spontaan wat in haar hoofd opkomt. Ze kan meer switchen tussen impulsief en gecontroleerd gedrag dan een over- of ondergecontroleerd kind dat kan. Zonder al te veel moeite baant ze zich een weg door zowel haar schoolcarrière als haar sociale leven. Met de meesten kan ze het goed vinden, en de nieuweling in de klas zal door Carolien snel aangesproken worden. Ouders en leraren zien veerkrachtigen als competente, zelfverzekerde kinderen. Zij zijn goed in staat zich te concentreren, ze zijn nieuwsgierig en het zijn doorzetters.

Dwarsliggers
De indeling in overgecontroleerde, ondergecontroleerde en veerkrachtige types is het resultaat van persoonlijkheidsonderzoek van de psychologen Jens Asendorpf en Marcel Van Aken. De profielen zeggen iets over de mate van zelfbeheersing van het kind. Een veerkrachtig kind, zo blijkt uit het onderzoek, maakt de meeste kans op een probleemloze psychologische groei. Een ondergecontroleerd kind loopt al op jonge leeftijd wat eerder dan zijn leeftijdgenoten tegen problemen aan en een overgecontroleerd kind krijgt in de basisschooljaren steeds meer problemen.
De Duitse psycholoog Jens Asendorpf licht toe: ‘Ondergecontroleerde kinderen hebben over het algemeen een geringe impulscontrole. Daardoor zijn ze vaker agressief en zijn ze dwarsliggers in sociale situaties.’
In verschillende onderzoeken is aangetoond dat ondergecontroleerde kinderen agressiever zijn in de omgang met hun leeftijdgenoten en in een enkel onderzoek wordt beweerd dat deze agressiviteit toeneemt na het zevende jaar. Last van een lage eigenwaarde hebben deze kinderen niet, ondanks het feit dat ze vaak door hun vriendjes worden afgewezen vanwege hun agressiviteit.
     
Ondergecontroleerde kinderen zijn vaker betrokken bij vechtpartijen dan de twee andere types. Deze impulsieve groep botst vaak en soms hard met haar omgeving.Verder hebben ze over het algemeen een lager IQ en blijven ze vaker zitten dan veerkrachtige kinderen. Asendorpf wil die laatste bevindingen echter wel wat relativeren: ‘Ondergecontroleerde kinderen hebben vaak een lage testprestatie op IQ-tests. Dat wil niet per se zeggen dat hun IQ lager is. Het kan heel goed zijn dat hun ware intellectuele competentie met deze lage testprestatie wordt onderschat.’ Kinderen met ADHD vallen in de groep ondergecontroleerden, maar volgens Asendorpf vormen zij slechts een klein deel van die groep.

Binnenvetters
Terwijl ondergecontroleerde kinderen weinig geremdheid kennen – ook als ze in contact worden gebracht met vreemden – blijken overgecontroleerden juist zeer geremd in hun gedrag. Zij houden hun emoties en impulsen altijd sterk onder controle, het zijn binnenvetters. Zij scoren over het algemeen het laagst op psychologisch welbevinden; ze kennen weinig zelfwaardering, piekeren veel en hebben meer psychosomatische klachten. Ook zijn overgecontroleerden in de ogen van hun klasgenoten minder goed in de sociale omgang en scoren ze hoog op emotionaliteit en nervositeit. Het zijn de wat tobberige muurbloempjes die minder snel dan hun drukke tegenhangers in problemen komen.

‘De maatschappij heeft zowel de durfallen nodig als de meer voorzichtige kinderen’

Uit het onderzoek van Asendorpf en Van Aken blijkt dat de overgecontroleerden gevaar lopen om achter te raken in hun ontwikkeling. Bij een meting op de leeftijd van vier jaar scoorden de overgecontroleerden nog even hoog op intelligentie, schoolprestatie en cognitieve eigenwaarde als de veerkrachtigen, maar na verloop van tijd kwamen ze op alle drie de gebieden achter te liggen. Met de resultaten van een recent onderzoek konden deze ernstige bevindingen echter voor een deel gerelativeerd worden. Asendorpf: ‘We hebben onlangs een nieuwe meting gedaan op de leeftijd van zeventien jaar, waar de IQ-scores van overgecontroleerden nog maar een klein beetje lager waren dan die van veerkrachtigen. Waarom hun testprestatie op twaalfjarige leeftijd zo laag was, is nog niet duidelijk. De IQ-scores van ondergecontroleerden bleken op zeventienjarige leeftijd nog steeds laag te zijn.’
Een persoonlijkheidstype hoeft dus niet zo stabiel te zijn. Er zijn genoeg kinderen die in de loop van hun ontwikkeling naar het ene of andere type opschuiven, al zal een opvliegerig baasje niet snel een stille werker worden.
De veerkrachtigen zijn de ‘meest aangepaste’ persoonlijkheden. Zij zijn vaak populair in de klas, hebben veel zelfwaardering en bijzonder weinig last van psychosomatische klachten. Hun persoonlijkheid zit precies tussen het impulsieve, agressieve van de ondergecontroleerden, en het angstige, teruggetrokken gedrag van de overgecontroleerde in.

Sociale steun beschermt
De persoonlijkheidstypen kunnen onderverdeeld worden in twee subtypen met een meer of een minder groot risico op het ontstaan van problemen in de ontwikkeling. Zo zijn er de prestatiegerichte en de kwetsbare overgecontroleerden. De laatste groep, die voor twee derde uit meisjes bestaat, is het meer problematische subtype. Deze kinderen zijn duidelijk vaker het slachtoffer van pesten en ze zijn oververtegenwoordigd in de groep buitenstaanders, die in iedere klas bestaat.
Bij de ondergecontroleerden is er een groep impulsieven en een groep antisocialen. De antisocialen zijn hier de probleemgevallen. Deze groep bestaat voor 85 procent uit jongens. Dit zijn juist vaak de treiteraars in de klas, zijn vaak eenzaam en worden het minst geaccepteerd door hun klasgenoten.
Het is dus niet de mate van impulsiviteit of geremdheid op zich zelf die bepaalt of de ontwikkeling problematisch zal zijn. De kwaliteit van de sociale relaties kan daarbij een beschermende factor zijn.
     
De niet-problematische impulsieve ondergecontroleerden en de prestatiegerichte overgecontroleerden vinden een luisterend oor als ze thuiskomen, kunnen hun ei bij hun vrienden kwijt of hebben een broer of zus als rots in de branding. Zij hebben het gevoel gesteund te worden door ouders, vriendjes en broertjes en zusjes.
Afhankelijk van de steun die een kind in zijn omgeving krijgt, kan het persoonlijkheidstype zich negatief of positief ontwikkelen. Dit biedt kansen voor de toekomst: als we op jonge leeftijd al kunnen vaststellen welk type persoonlijkheid een kind heeft meegekregen, dan kunnen we door extra aandacht voorkomen dat iemands persoonlijkheid zich problematisch gaat ontwikkelen.
Dit wil niet zeggen dat we alle kinderen dezelfde eigenschappen moeten proberen te geven. Asendorpf: ‘Een over- of ondergecontroleerd kind is niet per se problematisch. Ongeveer de helft van de bevolking bestaat uit over- en ondergecontroleerden. Ik zie er de noodzaak niet van in om die twee types te veranderen in het culturele ideaal van een veerkrachtige. Zowel onder- als overgecontroleerden hebben positieve kanten. De eersten zijn bijvoorbeeld minder angstig dan veerkrachtigen, en dit heeft afhankelijk van de situatie z’n voor- en nadelen. De maatschappij heeft zowel de durfallen nodig als de meer voorzichtige kinderen.’

Verloop van adhd van geboorte tot volwassene

De veel gebruikte Amerikaanse term daarvoor is Attention\Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD). Vroeger werd dit MBD genoemd (Minimal Brain Dysfunction). MBD is een breder maar onduidelijker begrip. In vakkringen wordt de term MBD niet meer gebruikt.
De meer ernstige vorm van ADHD komt voor bij één procent van de kinderen en jeugdigen, de minder ernstige vorm bij twee tot vier procent. Hoe vaak ADHD bij volwassenen voorkomt is niet goed bekend. ADHD komt veel vaker voor bij jongens dan bij meisjes. De ADHD-verschijnselen zijn doorgaans op de peuter- en soms al op de babyleeftijd zichtbaar. Zo jong wordt vaak ook al hulp gezocht. Meer gespecialiseerde hulp is meestal aan de orde rond de leeftijd van 5-7 jaar als het kind problemen ondervindt op school en in het contact met leeftijdgenoten of het kind thuis moeilijk hanteerbaar is. De ADHD-verschijnselen blijven doorgaans de hele kindertijd bestaan. In de puberteit maakt het hyperactieve gedrag vaak plaats voor innerlijke onrust. Tegen de tijd dat kinderen met ADHD volwassen zijn heeft tweederde nog steeds last van één of meer hinderlijke ADHD-verschijnselen. Dat laatste realiseert men zich de laatste jaren beter. Behalve in de jeugdzorg is daarmee ook in de volwassenenzorg aandacht ontstaan voor ADHD.

Een stukje geschiedenis
De geschiedenis van aandachtsstoornissen gaat terug naar 1920, toen werden voor het eerst hyperactiviteit en aandachtsstoornissen bij kleuters beschreven, ontstaan als gevolg van hersenweefselontsteking (encephalitis).
Dat de oorzaak in het organisme zelf ligt, is terug te vinden in de eerste term, die we tegenkomen namelijk Minimal Brain Damage (MBD) 1997). Hierbij gaat men er van uit dat de problemen het gevolg zijn van een lichte hersenbeschadiging opgelopen tijdens of rond de geboorte. De hersenbeschadiging is echter vaak niet aantoonbaar.
Rond 1979 ontstond steeds meer twijfel over de neurologische oorsprong. Men zag meer de opvoeding door de ouders als oorzaak, daarom werd de naam veranderd in Minimal Brain Dysfunction (MBD). De discussie rond de benaming bleef voortduren, omdat MBD de kernsymptomen/problemen niet dekte.
Er werd later gekozen voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD), omdat hier de twee kernsymptomen in voorkomen, namelijk de aandachtsstoornis en de hyperactiviteit. Bij deze benaming gaat men uit van de gedragskenmerken. Over de gehele wereld gebruikt men voor deze gedragskenmerken de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV) om aan de hand van de gedragskenmerken vast te stellen of er bij iemand gesproken kan worden over ADHD. De DSM-IV is een classificatiesysteem van psychische stoornissen en gedragsstoornissen, met diagnostische criteria, ontwikkelt voor gebruik bij hulpverlening, met name voor de diagnosestelling en onderzoek.
De laatste inzichten zijn dat ADHD wel degelijk een biologisch-organische oorsprong heeft. Er wordt aangenomen dat er te weinig van de neurotransmitter Dopamine aangemaakt in de hersens. Deze neurotransmitter zorgt voor de overdracht van gegevens van de ene cel naar de andere cel en deze doorgifte is verstoord, waardoor er allerlei problemen optreden. (Ook de werking van de neurotransmitter Noradrenaline is waarschijnlijk verstoord). Dit wordt niet als enige oorzaak gezien, want ook de sociale omgeving is van invloed op de kenmerken.

Speciale kenmerken van een adhder als baby/peuter:
Deze kenmerken kunnen voorkomen maar hoeft niet en ook niet allemaal tegelijk.
• Veel huilen als baby en later snel in tranen kunnen uitbarsten.
• Onrustig.
• Niet snel te troosten
• Veel zuigbehoefte.
• Snel van slag.
• Veel aandacht vragen.
• Niet alleen kunnen spelen
• Zich zelf niet kunnen bezighouden
• Steeds contact willen of veel aandacht vragen.
• Periodes ’s nachts veel huilen hierbij ontroostbaar.
• Motorisch onhandig.
• Minder contact met je kind, dan normaal verwacht.
• Niet luisteren.
• Afwezig. Of lijkt niet te luisteren.
• Druk. Overal aan zitten.
• Gespannen bij aanraken
• Als een plank aanvoelen bij oppakken.

Eigenlijk vertonen bijna alle kinderen wel diverse van bovenstaande kenmerken, als ze zo jong zijn, alleen vertonen adhders deze in extremere mate, iedere dag en in vele situaties.

Verschijnselen in de schoolkind leeftijd
Ouders en leerkrachten klagen erover dat het kind onbereikbaar is, niet ‘luistert’ en onbezonnen dingen doet. In de klas loopt het kind veel van zijn plaats, praat voor z’n beurt en doet alles net iets te snel zodat het lijkt of het op een te hoog ’stationair toerental’ is afgesteld. Door de lichamelijke onrust en een stoornis in het richten van de aandacht vangt het kind niet op wat de leerkracht zegt. Overigens is voor deze kinderen heel typerend dat ze geen aandachtsproblemen hebben als ze bezig zijn met een spannend computerspel. Dat is juist zo verwarrend.
Thuis maken ouders hetzelfde mee. Ondanks goede voornemens houden deze kinderen zich niet aan afspraken. Ze gaan vaak onhandig om met vriendjes. Zo kunnen ze zich zomaar tussen spelende vriendjes storten zonder eerst te kijken wat die aan het doen zijn. Als daarop boos gereageerd wordt, is de kans groot dat kinderen met ADHD dit niet begrijpen, zelf boos worden en anderen een klap verkopen. Op deze manier kunnen ze hun vriendjes kwijtraken.
Op het moment dat hulp wordt gezocht is er eigenlijk altijd sprake van een probleem in de opvoeding. De gewone opvoeding schiet tekort, waardoor de ouders en de leerkracht zich machteloos gaan voelen. De kinderen zitten niet meer “lekker in hun vel”, worden toenemend agressief en depressief als gevolg van alle mislukkingen.

Verloop
De ADHD-verschijnselen nemen op den duur meestal af. Of dit zal gebeuren en wanneer is echter niet te voorspellen. De omstandigheden spelen een grote rol. Bewegingsstoornissen komen bij ongeveer éénderde van de ADHD-patiënten voor en trekken spontaan en met hulp van fysiotherapie vaak wat bij. Ook aan de soms bij ADHD voorkomende spraak- en leerproblemen is tot op zekere hoogte iets te doen.
De vooruitzichten lijken niet in de eerste plaats bepaald te worden door de ADHD en de andere afwijkingen in de aanleg. Belangrijker is hoe de sociale contacten binnen en buiten het gezin zich ontwikkelen en met name of sprake is van ernstig tegendraads of crimineel gedrag. Ook brengt de sterke drang tot experimenteren risico’s met zich mee (vuur, ongelukken, gokken, gebruik van verslavende middelen). Ongeveer éénvijfde van de ADHD-patiënten maakt een ontwikkeling in criminele of verslavingsrichting door. Zo’n ernstige afloop is niet met zekerheid te voorspellen op basis van eerdere verschijnselen. Bijtijds passende hulp zoeken is het enige wat op dit moment kan worden geadviseerd. Bij volwassen ADHD-patiënten komt het gebruik van verslavende middelen behalve als onderdeel van crimineel gedrag ook voor om de ADHD-verschijnselen te verminderen. Het spreekt vanzelf dat deskundige behandeling hier meer op zijn plaats is.
Menig ouder ervaart dat zijn of haar volwassen geworden ADHD-kind wat leiding nodig blijft houden. Meestal denkt zoon of dochter hier zelf anders over
 
ADHD bij volwassenen
In het geval van ADHD bij volwassenen ligt het nog wat moeiljker.
Veel mensen herkennen zichzelf eindelijk in wat ze over ADHD lezen of horen. Daarom melden veel volwassenen zich bij de hulpverlening met de vraag of ADHD de verklaringzou kunnen zijn voor hun problemen.
Tot nu toe was ADHD bij volwassenen een vrijwel onbekende stoornis, bij de volwassenen zelf, maar ook bij de hulpverleners.
ADHD zorgt bij misschien wel 1 % van de volwassenen in Nederland voor aanzienlijke problemen. (Ter vergelijking: dit aantal is te vergelijken met het aantal volwassenen met epilepsie en schizofrenie.)
Kijken we naar de aantallen dan lijkt het hele probleem op een stuwmeer. Een stuwmeer dat nu begint leeg te lopen, onder andere door de toegenomen aandacht in de media voor ADHD bij volwassenen. De media-aandacht is ook toegenomen onder invloed van de activiteiten van organisaties als Balans, Impuls en de ADHD stichting. Deze toevloed van patiënten die zoeken naar hulp, informatie, diagnose legt een grote druk op de terzake deskundigen, voornamelijk de psychiaters.
Misschien kan een psychiater in een andere stad u eerder helpen dan de dichtstbijzijnde. Indien bij een RIAGG in een andere regio wel deskundigheid is op dit gebied, dan kunt u zich ook daar melden en de situatie voorleggen. Indien in de eigen regio een bepaalde deskundigheid niet aanwezig is, heeft u recht op hulp in een andere RIAGG-regio.

Stem of voeg toe aanUitleg over het gebruik van deze icons :  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Toevoegen aan Symbaloo Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Abonneer je op de RSS-feed van deze site

Laat een reactie achter